Bourgondisch

Dat ik van nature helemaal niet bourgondisch ben, en gisteren weer besefte dat mijn vader dat wel was. Dat ik toen bedacht dat ik hem af en toe maar een beetje na moet proberen te doen. Dat ik toen op de bank ging zitten voor de tv, met mijn benen op tafel, niet met een biertje en een sigaret erbij maar wel met thee en koekjes. En dat ik toen probeerde niet op de klok te kijken die boven de tv hangt.

Je kunt Bourgondiërs wel nadoen, maar je wordt ze nooit.

Bevalling

Dat ik nog weet dat mijn broer mij opbelde toen hij net zijn eerste kind had gekregen. Dat hij er nogal van slag door was geweest. De bevalling was heel moeizaam verlopen, en hij vertelde mij hoe iedereen in het ziekenhuis zich druk maakte om het kind, maar niemand om zijn vriendin. En toen had een van zijn twee katten ook nog een abces, en daar moest acuut iets aan gebeuren, terwijl moeder en kind nog in het ziekenhuis lagen.

Dat hij toen de verkeerde kat mee had genomen naar de dierenarts.

Tv

Dat ik eindelijk Netflix had genomen en toen ook een grotere tv wilden. Onze oude was zo klein dat je dichterbij moest gaan zitten om de stand bij een voetbalwedstrijd te kunnen lezen. Dat we het formaat dat we wilden aanwezen in de BCC en de verkoper toen zei: dit is een slaapkamerformaat. Dat ik het daar niet mee eens was, ik vond het bioscoopformaat. Dat hij toen zei: Hier wen je binnen twee weken aan en dan voelt ie hetzelfde als de oude. Dat we hem toch mee naar huis namen.

Dat ik die week heel blij aan een paar verschillende vrienden vertelde: we hebben een grotere tv! Maar dat ik alleen maar reacties kreeg in de trant van ‘ik vond het juist wel leuk dat jullie zo’n kleine tv hadden’ en ‘zijn jullie dan zo materialistisch?’

Dat ik wel eens bij een discussie aanwezig zou willen zijn tussen de BCC-man en mijn vrienden. De man van de BCC zal hun tv’s dan ‘smartphone-formaat’ noemen of zelfs niet-bestaand (omdat ze geen tv hebben), en zij zullen wat hij verkoopt ‘Het Kwaad’ noemen. Maar mochten ze het eens worden, dan komt daar misschien wel uit dat wij precies goed zitten, want we hebben én de bioscoopbeleving én we zijn niet super-materialistisch.

Dat niemand onze nieuwe tv echt een verbetering vond, behalve wij zelf.

Trap

Dat mijn ene kat boven bij de trap zat en dat prima vond. De andere was ook boven, maar wilde naar beneden. Dat het duidelijk was dat de Ene haar er niet zomaar door ging laten. Dat de Andere toen overwoog om tussen de spijlen van de balustrade door te springen, zodat ze er niet langs hoefde. Maar dan zou ze zeker 6 treden naar beneden vallen en dat vond ik geen goed idee.

Ik besloot vanuit de badkamer heel enthousiast de Ene te roepen, in de hoop dat ze zou komen en de Andere dan zou snappen dat dit haar kans was om te gaan. Dat de Ene toen wel kwam, maar de Andere ook. Toen bleek dat ik ze alleen maar ging aaien constateerde ik bij beide een lichte teleurstelling, ik had namelijk geen boter voor ze (ik heb nooit boter boven).

Daarna namen ze hun vaste plekken bij de trap weer in.

Strekken

Dat iemand mij laatst vertelde dat je bij het autorijden nooit je hele armen en benen moet strekken, want als je dan een aanrijding hebt zitten ze op slot en raak je veel erger gewond dan als je ze licht gebogen houdt.

Dat ik vandaag het slaapkamerraam open wilde zetten en toen voor de zekerheid ook maar voor de een-na-wijdste stand besloot te kiezen.

Hanger

Dat ik aan het rondkijken was in een kledingwinkel en me toen ineens afvroeg wat de regels eigenlijk zijn met betrekking tot wanneer kleren die van een hanger afglijden nog jouw verantwoordelijkheid zijn om terug te hangen.

Het is deels een tijd-kwestie denk ik: als het lang genoeg geleden is dat jij daar door de kleren aan het bladeren was hing het waarschijnlijk al niet goed op de hanger, en is het duidelijk niet jouw probleem. Maar er is ook een ruimte-aspect: als je al twee rekken verder bent, kan jij het ook onmogelijk gedaan hebben. Daarom loop ik altijd snel een stuk verder als ik een vest aan één kant los zie raken. En dan is er nog de kwestie van hoe ver de verkoopster bij je vandaan staat en of ze überhaupt doorheeft dat er iets van de hanger valt.

Vroeger wilde ik na het passen altijd alle kleren die ik niet kocht zelf terughangen/-leggen, ook al zei de verkoopster: geef maar hier, hoor. Ik vond het decadent om dat uit te besteden. Nu doe ik dat juist niet meer, omdat het me ook rot lijkt voor hen dat je het dan niet perfect doet maar ze je ook niet willen overrulen waar je bijstaat, dus ze dan helemaal moeten wachten totdat jij weg bent en dus al die tijd moeten onthouden welke stapeltjes je precies verpest hebt.

Styliste

Dat ik voorafgaand aan een televisieopname bij een styliste zat, en aan haar vroeg of ik mijn oorbellen in of uit zou doen. Dat ze toen vond dat ik andere in moest doen maar ik toen zei dat ik maar één paar heb. Dat ze toen geschokt was, ze moest echt even bijkomen. Dat ze daarna zei dat ik oorbellen met diamantjes nodig had en aan mijn vriend moest hinten om die aan mij cadeau te doen. Dat ik niet snapte waarom het diamantjes moesten zijn en ook niet waarom híj dat dan zou moeten betalen, ze had ook helemaal niet eerst naar zijn inkomen gevraagd. Ze had hem wel zien zitten – hij was mee – en gezegd dat ze vond dat hij raar haar had. Maar blijkbaar koppelde ze dat niet aan het feit dat hij ook niet echt het type diamanten-koper is.

Voortuin

Dat ik wat aan onze verwilderde voortuin ging doen en daar toen allemaal complimenten over kreeg. Opmerkingen als ‘ik ben trots op je’, van buurmannen die ik amper kende. Eerst vond ik dat lief, maar naarmate het er meer werden begon ik het verdacht te vinden. Blijkbaar was iedereen er nogal aan toe dat ik eindelijk de voortuin eens aanpakte.

Dat ik ook nog weet dat ik een paar jaar geleden in Zoetermeer op een barbecue was, en daar een vrouw sprak die ook geen vlees at. Dat schiep meteen een band, en toen bleek haar zoon ook nog in de straat achter ons te wonen. Dat ze toen vroeg waar wij dan precies woonden. Dat ik toen zei: in dat huis op de hoek, aan het parkeerpleintje. Dat zij toen vroeg: Oh, dat huis met die slordige tuin?

Dat ze daarna toch liever bij de vleeseters ging staan.

Egel

Dat er een egel bij ons op straat zat en ik daarlangs liep met de hond. Dat de hond nogal graag aan de egel wilde ruiken. Dat ik dat toeliet omdat ik dacht: dat beest heeft toch stekels. Dat ie toen inderdaad in zichzelf ging keren en er alleen een stekelig bolletje overbleef. Dat de hond het nog steeds allemaal superfascinerend vond en ik hem toen toch maar bij de egel weg heb gehaald. Dat ik wel dacht: dat lijkt me best heftig, als in jezelf gaan de enige oplossing is tegen gevaar en je daarna maar moet hopen dat dat genoeg is.

Voetbal

Dat ik als ik voetbal kijk erg benieuwd ben naar de uitslag, maar ook naar veel andere dingen. Soms staat er even eentje langs de kant vanwege een schouder of een knie, en dan denk ik: zou dat nou echt zoveel uitmaken, 10 of 11 spelers? Als je ze niet zou vertellen of ze met 10 of 11 zijn zou het verschil misschien wel veel minder groot zijn, dat het deels een placebo-effect is. Maar dan mogen ze ook niet stiekem tellen, en hoe ga je dat controleren?

Ik vraag me ook af of ze het niet vies vinden elkaar te omhelzen als hun shirts doorweekt zijn. Ze weten dus allemaal van elkaar hoe ze onder hun slechtste omstandigheden ruiken, er zal er toch wel eentje zijn die zijn neus dan dichthoudt?

En aan het eind, dan heb je verloren en moet je iedereen nog een handje geven: de scheids maar ook de spelers van de tegenpartij, de reservespelers ook nog soms. Maar hoe weet je dan of je iedereen hebt gehad? Ik kan me zo voorstellen dat je dan helemaal niet in the mood bent om dat goed te monitoren, als je hebt gewonnen niet maar zeker ook niet als je hebt verloren.