Muziek

Dat ik in de supermarkt getuige was van een soort mini-ruzie tussen een vrouw die de zegels van de andere klanten ook wilde hebben en een jongen met harde muziek uit zijn tas die daar een grapje over probeerde te maken. Dat het grapje nergens op sloeg, en de jongen toen concludeerde dat die vrouw geen ‘sense of humor’ had. Dat ik daar ook van overtuigd was, maar het niet eens was met zijn argumenten om tot die conclusie te komen, en de muziek van mij ook wel wat zachter mocht.

Karwei

Dat de jongen op de gordijnafdeling van de Karwei te hard zijn best deed, zeker voor iemand die eruit zag als zestien (het kan aan mij liggen, maar ik vind winkelpersoneel er de laatste tijd steeds vaker uitzien als zestien). Terwijl ik stond te kijken welke stof ik mooi vond, hoorde ik hem bijvoorbeeld veel te opvallend ‘prettige avond nog’ tegen andere klanten zeggen, je kon de cursus waarin hij dat geleerd had nog voelen.

Hij wilde ook mijn lege mandje opruimen dat iets verderop stond, terwijl ik dat nog nodig had. Toen hij erachter kwam dat het van mij was hing hij hem aan een gordijnroede en zei hij erbij: anders struikelt er misschien iemand over. Toen week hij wat mij betreft wel echt te veel af van wat hij op de cursus geleerd kon hebben. Als je over mandjes struikelt in de Karwei, zal zelfs de cursusleider van mening zijn dat dat een vorm van natuurlijke selectie is. Ik dacht ook: het is maar goed dat hij niet bij Albert Heijn werkt, want hoe gaat hij dat dan met de winkelwagentjes doen? Daar struikel ik persoonlijk veel vaker over.

Vervolgens liet hij me de gordijnstalen zo mee naar huis nemen zonder iets van een borg te vragen, hij focuste echt te veel op de mandjes.

Glitterkleuter

Dat ik een bruisbal met glitters had en op het punt stond om die in bad te doen. Dat ik er al een beetje tegenop zag, omdat ik dacht: waar blijven die glitters dan na afloop? Maar ik wist ook niet wat ik anders met dat ding moest. Ik kon wel eerst een andere bruisbal nemen – ik had er meerdere – maar dat is natuurlijk alleen maar uitstel van het probleem. Dus deed ik hem toch in bad.

Dat ik daarna helemaal onder de glitters zat. En niet alleen ik, ook mijn handdoek, mijn kleren, de bank en het dekbed. Ik voelde me een soort kleuter, terwijl die heus niet altijd onder de glitters zitten. Maar ik denk dat ik me zo voelde omdat ik bang was dat mensen dachten dat ik het expres had gedaan, dat ik het leuk vond om glitters op mijn armen en mijn gezicht te hebben. En dat past wel bij kleuters. Het zat ook zo gelijkmatig overal, dat het zeker een bewuste keuze leek.

Inmiddels dunnen de glitters langzaam uit, ik vind er nog af en toe een op mijn gezicht, een groepje van tien op het dekbed, een paar op mijn vriend. Ik word minder en minder kleuter. Ik kijk al uit naar de dag dat het er nog maar één is. Dat iedereen mij eindelijk weer aanziet voor wat ik ben: iemand die per ongeluk een glitter op zich heeft gekregen.

E(r)(d)win

Dat ik het afgelopen jaar twee Erwins en één Edwin heb leren kennen – of is het nou andersom? Daarvoor kende ik niemand die zo heette. Dat dat te veel blijkt te zijn om in één jaar te verwerken, en ik nu de hele tijd bij alle drie twijfel of ze nou Erwin of Edwin heten.

Vaak begin ik alvast met het zeggen van de ‘E’ om dan gaandeweg te beslissen of ik voor een ‘d’ of een ‘r’ ga. Eentje heb ik samen met een Rogier leren kennen, dus bij hem doe ik het vaak via Rogier: het is ‘Erwin en Rogier’, ‘Edwin en Rogier’ zou nergens op slaan. En als er geen Rogier in het spel is, is het Edwin. Maar die redenering duurt langer dan het duurt om de ‘E’ te zeggen, dus val ik toch altijd door de mand.

Maar goed, nu heb ik er gelukkig even tijd voor en ben ik eruit: Ik ken twee Edwinnen en één Erwin.

Pyjama-jurkje

Dat ik een jongetje in onze straat zag staan in een soort pyjama-jurkje, en hoopte dat het Mohammed was, mijn Syrische achterbuurjongetje van een jaar of zes dat elke dag komt vragen of hij onze hond mag aaien – wat hij vervolgens helemaal niet durft. Zodra hij met zijn hand ook maar enigszins in de buurt van de kop durft te komen roept hij altijd heel hard in het Arabisch zijn broer, omdat hij het zo graag aan hem wil laten zien. Maar als de hond dan bijvoorbeeld aan zijn hand ruikt of een poot verzet, vliegt hij weer achteruit.

Dat het waarschijnlijk officieel helemaal geen pyjama-jurkje heet, maar dat het hem gelukkig wel was.

Blaudzun

Dat ik Blaudzun zo zielig vond op Lowlands, omdat er zich nog nauwelijks mensen in zijn tent hadden verzameld voordat hij begon. Ik zag al helemaal voor me hoe hij vlak voordat hij op moest het doek een stukje opzij schoof om naar de menigte te kijken en toen zag dat er bijna niemand op hem stond te wachten.

Dat de vrouw die hem aankondigde dat volgens mij ook zielig vond en het toen alleen maar erger maakte door meerdere keren te roepen ‘Kom allemaal hierheen!’ Ze vertelde ook dat hij een paar jaar geleden ook op Lowlands stond, maar toen in de Alpha. Dat is een veel grotere tent.

En toen ging Blauzun ook nog een liedje spelen waarbij we elke keer moesten springen als hij het woord ‘up’ zong. Maar niemand leek te weten wanneer dat was. Ik deed echt heel erg mijn best, maar pas tegen het eind had ik het onder de knie.

Dat ik de cd toen heb gekocht en het nu thuis wel goed doe. Maar dat ziet Blaudzun niet.

 

Vingers

Dat ik iemand een hand gaf maar het voelde alsof het maar 3 vingers waren die ik tussen mijn duim en de rest van mijn vingers had, in plaats van de gebruikelijke 4. Dat ik niet meteen durfde te kijken om het te checken, dat wilde ik later nog onopvallend doen maar kwam er toen niet meer van. Dus nu weet ik het nog steeds niet.

Dat ik eigenlijk blij verrast was dat mijn handen zo’n subtiel verschil kunnen voelen, maar het feit dat ik het niet zeker wist de pret behoorlijk drukte. Als ik het mis had, zou ik juist teleurgesteld in ze moeten zijn.

Misschien had hij wel 4 hele dunne vingers. In dat geval is het mijn eigen handen niet volledig aan te rekenen en dient de schuld wat mij betreft ook deels bij die van hem te worden gezocht.

Sumava

Dat mijn vriend ’s nachts wakker lag en ik hem vroeg waarom. Dat hij zei dat hij aan het piekeren was over zijn werk. Dat ik hem toen gerust probeerde te stellen door te zeggen ‘denk maar aan Sumava’, het national park in Tsjechië waar we deze zomer waren. Maar dat ik daarna zelf ook mee ging piekeren over zijn werk. Dat hele Sumava is leuk en aardig, maar het lost de problemen niet op.

Kapotte knieën

Dat ik met tennissen op het gravel was gevallen en allebei mijn knieën toen open lagen. Dat we een paar dagen later gingen wandelen en mijn vriend toen probeerde al limbo-dansend onder een tak door te gaan en daarbij ook viel en een kapotte knie had. Later in de week haalde hij zijn andere knie open langs een gestructuurverfde muur.

Dat al onze knieën daarna geschaafd waren en we ze toen met z’n vieren op de foto hebben gezet.

Beeldhouwen

Dat de tuin eerst een wildernis was en nu netjes is. De buurvrouw vroeg zelfs of we een nieuwe stenen cirkel in de voortuin hadden gelegd, terwijl die er al die tijd al lag. Het is als met beeldhouwen, dacht ik toen: zoals je het beeld moet bevrijden uit de steen, zo moest ik de cirkel bevrijden uit het onkruid. Je ziet de boompjes nu weer, de kleine appels die beginnen te groeien en de leuke slingerpaadjes die mijn vriend er ooit heeft aangelegd.

Maar dat ik de tuin nu ook wel kwetsbaar vind – iedereen kan hem zien en onze katten zullen het wellicht jammer vinden dat andere katten nu ook zien dat het een tuin betreft.